KD II,2 paragraaf 34

logo

215 DE VERKIEZING VAN DE GEMEENTE [footnote] In de tekst wordt met Romeinse cijfers tussen vierkante haken verwezen naar kanttekeningen van de vertaler. Deze kanttekeningen worden zichtbaar bij het aanklikken van de eerste kanttekening. De cursieve cijfers in de tekst verwijzen naar de pagina’s in de KD. [/footnote]

Gods keuze van genade [i] is de verkiezing van Jezus Christus. [footnote]In deze zin vat Barth de inhoud van de voorafgaande § 33 samen. In § 34 en § 35 volgen de ‘andere verkiezingen’ die hierin liggen besloten. [/footnote] Deze verkiezing betekent tegelijk de eeuwige verkiezing van Gods ene gemeente. Door haar bestaan moet aan de gehele wereld worden getuigd van Jezus Christus, moet de gehele wereld tot geloof in Jezus Christus worden opgeroepen. Deze ene gemeente van God heeft twee gestalten: in de gestalte van Israël moet zij dienstbaar zijn aan de uitbeelding van het goddelijke gericht, in de gestalte van de kerk moet zij dienstbaar zijn aan de uitbeelding van de goddelijke ontferming. Als Israël is zij bestemd tot het horen, als kerk is zij bestemd tot het geloven van de tot de mens uitgegane belofte. De ene verkozen gemeente van God draagt dáár de gestalte van haar vergaan, híer de gestalte van haar komen.

  1. ISRAËL EN DE KERK

De verkiezing van de mens is zijn verkiezing in Jezus Christus: zo zeker als Jezus Christus het eeuwig levende begin van de mens en van de gehele schepping is. Verkiezen wil zeggen ‘in Hem’ verkiezen. En verkozen zijn wil zeggen ‘in Hem’ verkozen zijn. Er bestaat immers inderdaad nog een ‘ander’ verkiezen en verkozen zijn: niet naast, niet buiten, maar in de verkiezing van Jezus Christus besloten. We konden van die verkiezing van Jezus Christus op zichzelf en als zodanig al niet spreken, zonder ons ook voortdurend deze ‘andere’, reeds in haar besloten verkiezing voor ogen te houden. Gods prijsgave van Zichzelf, waartoe Hij in zijn verkiezing heeft besloten, geldt immers, doordat zij materieel gezien de mens Jezus geldt, intentioneel gezien [footnote] ‘teleologisch gesehen’. [/footnote] de door God geschapen en van God afgevallen mens op zichzelf en als zodanig. Naar deze mens, deze mensen in hun veelvoud, allen en ieder afzonderlijk, is in de mens Jezus Christus de eeuwige liefde van God toegekeerd: en wel zo, dat in deze naam voor iedereen van deze liefde getuigd moet worden, dat zij in deze naam door iedereen geloofd moet worden. De weg van de verkiezende God is de weg van het getuigenis van Jezus, de weg van het geloof in Hem. Zo bestaat er, in zijn verkiezing besloten, ook ‘andere’ verkiezing: de verkiezing van de velen (van wie niemand uitgesloten is). Langs die weg treedt de verkiezende God hun tegemoet.

Maar nu heeft de heilige Schrift, waar we ons graag aan willen houden, in tegenstelling tot het klassieke kerkelijke leerstuk van de predestinatie niet zo een haast om zich met deze ‘vele’ in Jezus Christus verkozen mensen in hun enkelvoud en meervoud bezig te houden. Zeker doet zij dat ook (en wij zullen het ook niet mogen nalaten), maar ze richt haar blik 216 (en we zullen haar ook daarin moeten volgen) vanuit de verkiezing van Jezus Christus juist niet direct tot de verkiezing van de individuele gelovige, maar eerst tot een verkiezing in het midden, een verkiezing die bemiddelt; een verkiezing waarvan het subject zeker God in Jezus Christus is en het speciale object zeker mensen zijn, maar deze mensen dan toch niet als individuele of vele privé-personen, maar als een door God in Jezus Christus verkozen gemeenschap. Een gemeenschap die van eeuwigheid her bestemd is tot een geheel eigen dienst, om zich hierin te bekwamen en haar uit te oefenen. Haar leven en haar functie is volgens de heilige Schrift het primaire voorwerp van die ‘andere’ verkiezing, die in de verkiezing van Jezus Christus is besloten. Pas vanuit haar gezien en met haar voor ogen kan dan ook naar behoren worden gesproken over de verkiezing van de individuele gelovigen (die de traditie wat al te ijverig als het probleem van het leerstuk van de predestinatie heeft behandeld). Om het voorwerp van deze ‘andere’ verkiezing aan te duiden kiezen wij voor het begrip van de gemeente, omdat dit begrip toereikend is voor zowel de werkelijkheid van Israël als die van de kerk en hen beide beslaat. De betekenis van het begrip is – om het hier slechts kort te schetsen – dit: de gemeente is die menselijke gemeenschap die voorlopig op speciale manier de natuurlijke en historische omgeving van de mens Jezus vormt. Het speciale van haar bestaat eruit dat zij door haar bestaan een getuigenis moet afleggen voor Hem ten overstaan van de gehele wereld en de gehele wereld tot geloof in Hem moet oproepen. Haar voorlopigheid bestaat eruit dat zij dankzij dit ambt en deze opdracht van haar boven zichzelf uitwijst naar de gemeenschap van alle mensen, ten overstaan van wie ze getuige en heraut is. De aldus te beschrijven gemeente vormt dus tot op zekere hoogte de binnenste kring van de ‘andere’ verkiezing die in en met de verkiezing van Jezus Christus heeft plaatsgevonden (en plaatsvindt!). Doordat zij aan de ene kant die speciale omgeving van de mens Jezus, die binnenste kring vormt, aan de andere kant echter zelf tot de wereld behoort, respectievelijk uit de wereld is verkozen en uit individuele mensen is samengesteld, is haar verkiezing gezien haar zending en functie inderdaad aan te duiden als een midden en iets dat bemiddelt: als een midden, voor zover ze het midden vormt tussen de verkiezing van Jezus Christus (waarin zij is besloten) en de verkiezing van hen die in Hem hebben geloofd, geloven en zullen geloven – en als iets dat bemiddelt, voor zover de relatie tussen de verkiezing van Jezus Christus en de verkiezing van alle gelovigen (en omgekeerd!) door haar is bemiddeld en bepaald.

Er bestaat dus geen zelfstandige verkiezing van de gemeente. Alleen Joodse of klerikale fantasie en arrogantie zou de behoefte kunnen hebben om de gemeente in voorbijgaan aan Jezus Christus aan het begin van alle dingen te zetten. De roem van haar verkiezing kan altijd slechts de roem van Jezus Christus, de onbaatzuchtige roem van het getuigenis van Hem zijn. Waar de gemeente meer 217 zou willen zijn dan zijn omgeving, waar ze meer zou willen dan bemiddelen, daar zou ze zeker haar verkiezing juist zijn vergeten en hebben verbeurd. En ook ten opzichte van de wereld kan het bestaan van de gemeente niet als doel in zich worden begrepen. Daartoe is zij uit de wereld verkozen: om aan de wereld de dienst te bewijzen die deze het meeste nodig heeft en die daaruit bestaat, dat zij aan haar getuigenis aflegt van Jezus Christus en haar oproept tot geloof in Hem. Ze zou haar verkiezing hebben vergeten en verbeurd, waar zij voor zichzelf zou bestaan en deze dienst zou nalaten, waar ze niet werkelijk zou bemiddelen. De binnenste kring is niets buiten de relatie tot de buitenste kring van de verkiezing die in Jezus Christus heeft plaatsgevonden (en plaatsvindt).

Op haar beurt is echter ook deze buitenste kring niets zonder die binnenste, is alle verkiezing die in Jezus Christus heeft plaatsgevonden en plaatsvindt bemiddeld, bepaald en begrensd door de verkiezing van de gemeente. Zij weerspiegelt in haar midden- en bemiddelend karakter het bestaan van de ene Middelaar Jezus Christus zelf. In haar speciaal-zijn ten opzichte van de wereld weerspiegelt zij evenzeer de vrijheid van de verkiezende God, als dat zij in haar dienst aan die wereld (en dus in de voorlopigheid van haar speciaal-zijn!) zijn liefde weerspiegelt. Alleen dankzij deze weerspiegeling komt het tot het getuigenis van Jezus Christus, tot de oproep tot het geloof in Hem en dus tot het geloof van de individuele verkozenen. Besloten in de verkiezing van de gemeente, dat wil zeggen: in de gemeente, door de gemeente (en dan onmiddellijk ook voor haar!), zijn dan ook deze individuen verkozen in en met de verkiezing van Jezus Christus. Extra ecclesiam nulla salus [ii] [Buiten de kerk is er geen heil] [footnote]Toevoegingen in de tekst tussen vierkante haken stammen van de vertaler. Het betreft hier vertalingen uit het Grieks en het Latijn, en duidelijke, door Barth niet genoemde Schriftverwijzingen. [/footnote] ! Die zin hoort al thuis in het leerstuk van de predestinatie, reeds in de Godsleer.

Zoals nu de verkiezende God één is en de verkozen mens één is: Jezus, evenzo is ook de gemeente, als primair voorwerp van de verkiezing die in Jezus Christus heeft plaatsgevonden en plaatsvindt, één. Alles wat juist in het licht van de goddelijke predestinatie over haar te zeggen is, zal moeten uitlopen op de beklemtoning van deze eenheid van haar. Maar nu hebben we immers juist de, aan de verkiezing in Jezus Christus gelijk te stellen, goddelijke predestinatie als een dubbele predestinatie moeten begrijpen: als de oorsprongshandeling van de vrije liefde van God, waarin Hij voor Zichzelf de gemeenschap met de mens en dus het ondergaan van het gericht kiest, maar voor de mens de gemeenschap met Zichzelf en dus de heerlijkheid van zijn ontferming. [iii] Hij ordonneert de mens overeenkomstig de eerste kant van deze handeling tot het horen van zijn belofte, overeenkomstig de andere kant van dezelfde handeling tot het geloven daarin. Hij ordonneert hem daar tot een oude bestaansvorm, één die vergaat; hier tot een nieuwe bestaansvorm, één die komt (en blijft). Is nu de verkiezing van de gemeente besloten in de verkiezing van Jezus Christus, is zij in en met Jezus Christus voorwerp van die oorsprongshandeling van de vrije liefde van God, dan is er niets anders te verwachten dan dat wij ook in háár verkiezing 218 op deze dubbele (en juist in haar dubbelheid ene!) richting van de eeuwige wil van God zullen stuiten. En dat is dan ook de stand van zaken waarmee we volgens de heilige Schrift werkelijk te maken hebben.

Wie en wat is Jezus Christus zelf in zijn verhouding tot de gemeente van God? We vinden hier reeds de eenheid en het verschil: Hij is de beloofde zoon van Abraham en van David, de Messias van Israël. En Hij is tegelijk het Hoofd en de Heer van de uit Joden en heidenen geroepen en verzamelde kerk. Als beide is Hij onlosmakelijk één. En Hij is als de ene onveranderlijk beide. Juist als de Heer van de kerk is Hij immers de Messias van Israël, en juist als de Messias van Israël is Hij immers de Heer van de kerk. Deze stand van zaken moet in wat hier volgt uit de doeken worden gedaan. We proberen allereerst tot een voorlopig overzicht te komen:

Jezus Christus is de gekruisigde Messias van Israël. Als zodanig is Hij de authentieke getuige van het gericht dat God op Zichzelf neemt, doordat Hij kiest voor de gemeenschap met de mens. Als zodanig is Hij de oorspronkelijke hoorder van de goddelijke belofte. Als zodanig is Hij degene die al lijdend begint met het genadige vergaan van de eerste menselijke gestalte. – Maar Hij is juist als de gekruisigde Messias van Israël ook de heimelijke Heer van de kerk die God sticht door deze prijsgave van Zichzelf: om te leven uit zijn ontferming, om te geloven in zijn belofte, als de genadig komende (en blijvende) gestalte van zijn gemeente.

En Jezus Christus is de opgestane Heer van de kerk. Als zodanig is Hij de authentieke getuige van de ontferming waarin God zijn eigen heerlijkheid toekeert naar de mens, doordat Hij hem kiest tot gemeenschap met Zichzelf. Als zodanig is Hij het oerbeeld van hem die gelooft. Als zodanig is Hij degene die al triomferend begint met het genadige komen van de nieuwe gestalte van de mens. – Maar Hij is nu juist als de opgestane Heer van de kerk ook de geopenbaarde Messias van Israël, het Israël dat God door deze prijsgave van Zichzelf bevestigt: als toneel van zijn gericht, maar ook als hoorder van zijn belofte, als die gestalte van zijn gemeente die bestemd is tot een genadig vergaan.

Aan deze eenheid en dubbele gestalte van Jezus Christus zelf beantwoordt nu de eenheid en dubbele gestalte van de gemeente en haar verkiezing. Naar Gods eeuwige besluit bestaat zij als het volk Israël (in de hele uitgebreidheid van zijn geschiedenis in verleden en toekomst, ante en post Christum natum!) en tegelijk als de kerk uit Joden en heidenen (van haar openbaring op Pinksteren tot aan haar voleinding door de wederkomst van Christus). Juist in deze dubbele gestalte van haar (oud- en nieuwtestamentische) bestaansvorm weerspiegelt en herhaalt zich die dubbele bestemming van Jezus Christus zelf. Ook de gemeente is als Israël en als kerk onlosmakelijk één. Ook zij is als de ene onveranderlijk 219 beide: Israël en de kerk. Juist als kerk is zij Israël en juist als Israël is zij kerk. Dat is de ecclesiologische versie van de eerder christologisch benoemde stand van zaken. Ook in deze versie proberen we nu hiervan tot een voorlopig overzicht te komen.

Israël is het zich tegen zijn verkiezing verzettende volk van de Joden. Het is de gemeente van God voor zover deze ook de onwilligheid, het onvermogen en de onwaardigheid van de mens ten opzichte van de hem toegekeerde liefde van God moet uitbeelden. Doordat Israël zijn Messias Jezus uitlevert aan de heidenen ter kruisiging, getuigt het van de gerechtigheid van het door God zelf gedragen goddelijke gericht over de mens. En doordat het zo de vervulde belofte tegemoet treedt, blijft het hoorder van deze belofte, zonder door te stoten tot het geloof in haar. Het kan in zijn bestaan alleen het vergaan van de oude, de zó God tegemoet tredende mens zichtbaar maken. – Israël is echter als het zich tegen de goddelijke verkiezing verzettende Jodenvolk tegelijk de heimelijke oorsprong van de kerk, waarin alleen Gods ontferming kan worden geprezen, alleen door het geloof in God alleen; waarin juist het geloof slechts gehoorzaamheid: het volledige horen is; waarin het komen van de nieuwe mens slechts in het vergaan van de oude waar wordt.

De kerk is de op grond van haar verkiezing geroepen vergadering [iv] uit Joden en heidenen. Zij is de gemeente van God voor zover deze de welwillendheid, bereidheid en eer van God ten opzichte van de zondige mens heeft uit te beelden. Doordat Jezus, de gekruisigde Messias van Israël, zich in zijn opstanding bewijst als de Heer van de kerk, mag deze de goddelijke ontferming over de mens onderkennen en belijden. En doordat zij onderkent en belijdt dat het goddelijke woord in zijn vervulling sterker is dan elke tegenspraak van zijn hoorders, mag zij het geloven, bewaren en doen. Zij mag in haar bestaan het komen van de nieuwe, de door God aan- en opgenomen mens zichtbaar maken. – Maar als de op grond van haar verkiezing geroepen vergadering uit Joden en heidenen is de kerk tegelijk de geopenbaarde bestemming van Israël, dat door haar wordt bevestigd: in het verkozen zijn om Diegene voort te brengen in wiens persoon God alle menselijke zonde en nood tot zijn zaak maakt, in het onderscheiden zijn door het horen van zijn Woord, dat in ieder geval aan het geloof in dat Woord moet voorafgaan, in de gestalte van de oude mens die juist door te vergaan voor de nieuwe, de komende mens ruimte maakt.

Israël is het zich tegen zijn verkiezing verzettende volk van de Joden; de kerk is de op grond van haar verkiezing geroepen vergadering uit Joden en heidenen. Zo hebben wij het geformuleerd en zo, of althans in die trant, moet het worden geformuleerd, wanneer de eenheid van de verkiezing van de gemeente (gefundeerd in de verkiezing van de ene Jezus Christus) zichtbaar moet worden en blijven. Men zou het volk van de Joden dus beslist niet 220 de ‘verworpen’, de kerk de ‘verkozen’ gemeente kunnen noemen. Voorwerp van de verkiezing is noch Israël op zichzelf, noch ook de kerk op zichzelf, maar zijn beide in hun eenheid. (En spreken we van het verkozen Israël of van de verkozen kerk, dan moeten we er helderheid over hebben dat we ‘synekdochisch’ [footnote]Inclusief, meewegend. Kerk en Israël delen dus in elkaars uitbeelding van Christus.[/footnote] spreken.) In Jezus Christus verkozen (zijn ‘lichaam’!) is de gemeente, die de dubbele gestalte van Israël en van de kerk heeft. De eer van de verkiezing, de liefde van God tot de mens als grondslag van de verkiezing, de boog van het verbond [v] waartoe God, in zijn liefde tot de mens, van eeuwigheid her heeft besloten en die hij heeft gesloten – zowel hier als daar zijn ze allemaal dezelfde, zo zeker als zowel hier als daar oorspronkelijk en eigenlijk Jezus Christus de verkiezende en verkozene is, zo zeker als we ons zowel hier als daar in zijn omgeving bevinden. Alles heeft hier evenwel een andere gestalte dan daar. Anders is namelijk hier en daar de verhouding van de verkiezing tot de verwerping, die haar onvermijdelijk begeleidt. En juist in de dubbele bestemming van Jezus Christus zelf is dit anders zijn gefundeerd. Zij bestaat daaruit, dat de Israëlitische gestalte van de verkozen gemeente het wezen van deze gemeente zichtbaar maakt in zijn oudtestamentische, uit de verkozen mens als zodanig voortkomende bepaaldheid, terwijl de kerkelijke gestalte daarentegen hetzelfde wezen van de verkozen gemeente zichtbaar maakt in zijn nieuwtestamentische bepaaldheid: bepaald door de verkiezende God als zodanig. Dit onveranderlijk verschillend zijn van hun wezen wordt daaruit duidelijk, dat het volk van de Joden (doordat het Jezus aan de heidenen overlevert om te worden gedood) zich tegen zijn goddelijke verkiezing verzet, terwijl de vergadering uit Joden en heidenen (in het geloof in dezelfde Jezus Christus) op grond van haar verkiezing geroepen wordt. Daar is het beslissende: de mens die zich afkeert van de verkiezende God. Hier het beslissende: de verkiezende God die Zich toekeert naar de mens. Dat zijn de beide gestalten van de verkozen gemeente: de beide polen waartussen haar geschiedenis zich (in eenzijdige richting! van hier naar daar! [footnote]Lees: ‘van daar naar hier’.[/footnote]) beweegt, op zo een manier dat de boog van het ene verbond zich welft over het geheel. Daarom moet zowel hier als daar bij alle scherpte – met terughoudendheid worden geformuleerd, mag de tegenstelling tussen hier en daar niet als uitsluiting worden geformuleerd. Achter en boven het menselijk verzet, kenmerkend voor de Israëlitische gestalte van de gemeente, staat wel de goddelijke verwerping, maar ook Gods verkiezing, waarin Hij Zichzelf ertoe bestemd heeft de verwerping op Zich te nemen. En achter en boven de goddelijke roeping, kenmerkend voor de kerkelijke gestalte van de gemeente, staat wel de goddelijke verkiezing maar staat daarom ook de verwerping, die God zelf op Zich heeft genomen. Dit onveranderlijke verschillend zijn van de beide gestalten van de gemeente moeten we dus wel in de gaten houden. Maar ook moeten we in de gaten houden dat juist door dit verschillend zijn hun onlosmakelijke eenheid aan het licht wordt gebracht.

221 Het ligt nu in de aard van de zaak dat zowel het verschillend zijn als de eenheid van de verkozen gemeente slechts in de kennis van Jezus Christus en zijn verkiezing, dat wil echter zeggen in het geloof van de kerk kenbaar is en daadwerkelijk gekend wordt. De boog van het verbond over beide is geen neutrale plaats, geen neutrale toeschouwerspositie tussen beide in, maar de geschiedenis die tussen Israël en de kerk plaatsvindt. De weg van deze geschiedenis is daarentegen de weg van de kennis van Jezus Christus: hij leidt van Israël naar de kerk. Hij kan dus alleen in deze beweging, dat wil praktisch zeggen: slechts vanuit de kerk als de levensweg van de ene verkozen gemeente van God worden bekeken, beschreven en begrepen.

In de kennis van Jezus Christus en zijn verkiezing wordt Israël binnen de hier weergegeven verstaanshorizon zichtbaar. Het Israël dat zich tegen zijn verkiezing verzet, zijn Messias miskent en verwerpt, kan als zodanig niet in staat zijn zichzelf samen met de kerk als de ene gemeente van God te kennen, en tegelijk binnen deze ene gemeente de, vergeleken met de kerk, speciale gestalte van zijn eigen verkiezing te kennen. Waar Israël in de opgestane Heer van de kerk de God van zijn eigen verkiezing onderkent, dat wil echter zeggen, waar het in het geloof van de kerk één wordt met haar, daar wordt voor hem hiermee juist de eenheid van de gehele verkozen gemeente openbaar, en daar dan ook zijn eigen plaats en functie als de eerste gestalte van dit geheel. Daar zal juist Israël de kerk in de belijdenis van de onwilligheid, het onvermogen en de onwaardigheid van de mens ten opzichte van de goddelijke liefde voorgaan, en in de lofprijzing van de alleengenoegzaamheid [vi] van de goddelijke ontferming. Daar zal juist Israël, dat zijn Messias uitleverde om te worden gekruisigd, voor de kerk getuigen van de gerechtigheid van het gericht, waarbij Hij het ondergaan van dit gericht zo tot zijn eigen zaak gemaakt heeft. Daar zal juist Israël de kerk eraan herinneren dat zij enkel kan verkondigen wat zij heeft ontvangen. Daar zal juist Israël als de gestalte van de gemeente die vergaat ruimte maken voor de kerk als de gestalte van de gemeente die komt. Waar Israël in Jezus Christus zijn eigen verkiezing onderkent en gelooft, daar zal juist Israël in de kerk herleven en bewaard blijven als haar heimelijke oorsprong, als de verborgen substantie die de kerk maakt tot de gemeente van God.

Evenzo in de kennis van Jezus Christus en zijn verkiezing moet en zal nu echter ook van de kant van de kerk net als het verschil ook de eenheid van de verkozen gemeente onderkend en erkend worden. Alleen het ongeloof ten opzichte van Jezus Christus zou hier kunnen willen scheiden wat God heeft samengevoegd. Slechts daar waar de op verkiezing berustende roeping niet zou hebben plaatsgehad, zou de speciale gestalte van de kerk binnen de ene gemeente tegen deze eenheid met het volk van de Joden kunnen worden uitgespeeld, zou de eenheid van Israël en kerk 222 kunnen worden vergeten en geloochend. Waar dit gebeuren zou, zou de kerk helemaal niet kerk zijn! Waar de kerk in de gekruisigde Messias van Israël haar eigen verkiezing onderkent, waar zij zich dus in het geloof één weet met Israël, daar wordt juist de eenheid van de gehele verkozen gemeente openbaar en slechts in deze eenheid dan ook de eigen plaats en functie van de kerk als de tweede gestalte van dit geheel. Daar zal juist de kerk Israël troosten met de boodschap van de welwillendheid, bereidheid en eer van God ten opzichte van de zondige mens, met de boodschap van de werkelijkheid van zijn ontferming. Daar zal juist de kerk voor Israël getuigen dat God heeft goedgemaakt wat zij, de Joden – in de uitlevering van Jezus aan de heidenen – dachten slecht te maken. Daar zal juist de kerk Israël eraan herinneren dat de ontvangen belofte aan de gehele wereld mag worden verkondigd. Daar zal juist de kerk als de komende gestalte van de gemeente van God Israël als haar vergaande gestalte in zich hebben opgenomen en dus voor de vernietiging hebben behoed. Waar de kerk in Jezus Christus haar eigen verkiezing onderkent en gelooft, daar zal zij juist de bestemming van Israël openbaren: zijn verkiezing tot het volk van de vleesgeworden Zoon van God, zijn onderscheiding door de gave van het woord en de belofte van God, zijn vergaan als een echt en noodzakelijk vooropgaan.

Zo is met betrekking tot de kennis van de hier beschreven verhouding van eenheid en verschillend zijn tussen Israël en de kerk alles erin gefundeerd, alles ervan afhankelijk dat zowel hier als daar Jezus Christus en de verkiezing die in Hem heeft plaatsgevonden, wordt geloofd en onderkend. In zoverre kan alles wat hier is gezegd vanzelfsprekend slechts vanuit de kerk als de nieuwtestamentische gestalte van de gemeente van God zijn gezegd en worden begrepen.

Israël en de kerk, in deze onderlinge eenheid en verscheidenheid, maken het middelste voorwerp uit van de goddelijke verkiezing; zij zijn het voorwerp van de goddelijke verkiezing dat bemiddelt.

Rom. 9: 1-5

We laten de constateringen van deze paragraaf vergezellen door een doorlopende exegese van de hoofdstukken Rom. 9–11. Niet dat ons onderzoek en onze uiteenzetting alleen voor deze hoofdstukken oog hebben en niet voor de gehele heilige Schrift. Overeenkomstig het thema van deze paragraaf zijn ze echter wel speciaal parallel aan deze hoofdstukken ontstaan en als zodanig te begrijpen. Er mag dus niet verwacht worden dat juist deze tekst voor al onze eigen beweringen de bewijsplaats zal leveren. Evenmin kan elk element van deze tekst in onze eigen beweringen worden gehonoreerd. In haar totaliteit wil onze uiteenzetting echter, in haar tendens en haar inhoud, met Rom. 9–11 worden vergeleken en aan Rom. 9–11 worden gemeten. Het leerstuk van de predestinatie is maar al te vaak uitgevoerd zonder deze locus classicus [‘klassieke leerstuk’] in zijn verband in ogenschouw te nemen. [vii]

Wij maken om te beginnen uit Rom. 9: 1-5 op dat Paulus alleen in staat is om het apostelambt waarmee hij door Jezus Christus is belast uit te oefenen, als dit beslist gebeurt in naam van en ten gunste van de kerk en Israël. De verzen laten zien: voor zijn apostelambt is het fundamenteel en voor hem persoonlijk heilsnoodzakelijk, om zich als zendeling op de in de Handelingen der Apostelen beschreven wijze altijd eerst tot de Joden te richten. Verder bestaat de zin van zijn claim op de Joden er niet uit om hen in de verkiezing van Israël 223 te laten vastlopen, maar ze veeleer op te roepen om aan hun eigen verkiezing te gaan gehoorzamen. Voorts: wanneer hij, na door de Joden te zijn afgewezen, naar de heidenen gaat, en de oproep tot de kerk aldus laat uitgaan, dan betekent dat ook niet dat hij hen daarom uit het oog verliest, maar dat hij hen nu vanuit de kerk des te nadrukkelijker zal oproepen tot gehoorzaamheid aan hun eigen verkiezing. Juist als apostel van de kerk kan en wil Paulus nu pas goed – in de oudtestamentische betekenis van het woord – een profeet van Israël zijn. Alleen in deze eenheid van zijn ambt wil hij de kerk verzamelen en alleen in haar eenheid met Israël wil hij de kerk zichzelf zien verzamelen.

Paulus spreekt dus niet vanuit zoiets als een nationalistisch sentiment, maar uit het binnenste centrum van zijn zending, wanneer hij (9: 1-2) tegenover de kerk van Rome zijn ‘grote droefenis’, de ‘niet aflatende pijn’ betuigt, waardoor zijn ‘hart’ – vanwege die afwijzing – is aangedaan. Hij spreekt daarmee ‘waarheid in Christus’, de Heilige Geest is de medegetuige van dit leed van hem. Hij ‘liegt’ in deze zaak even weinig als in zijn verkondiging van het evangelie. Zij behoort integraal tot deze verkondiging. Het ongeloof van zijn ‘stamgenoten’ (vs 3) wil hem van hen scheiden. Maar dat kan niet lukken. Zij zijn en blijven ook in hun ongeloof zijn ‘broeders’. Zijn geloof, het geloof van de kerk aan Jezus Christus, verbindt hem met hen. Waar hún ongeloof hem dit leed berokkent, kan zíjn geloof hen niet loslaten. Hij kan zelf alleen geloven, door hen vast te houden, door steeds weer juist naar hen te grijpen, door voor hen te bidden (10: 1). Maar zelfs ook het leed dat hij om hen draagt, kan hem slechts met hen verbinden. Het is het leed van de Israëliet (Rom. 11: 1) die Israëls Messias heeft herkend in Hem die door Israël is verworpen en in wiens verwerping Israël lijkt te willen volharden. Het is het leed van de Israëliet die Israëls verkiezing op wonderbaarlijke manier voorgoed bevestigd ziet, en door Israël nu zo vreselijk ontkend. Wie zou er meer Israëliet kunnen zijn dan juist de apostel van de kerk in dit leed van hem? Hij is het zozeer, hij is juist met het ongelovige Israël dat hem extra verdriet verschaft – niet ondanks zijn geloof, maar door zijn geloof, niet ondanks zijn verdriet, maar door zijn verdriet! – volgens vs 3 zozeer verbonden, dat hij omwille van de omkeer van dit Israël, omwille van de uitvoering van de eenheid tussen kerk en Israël graag wat hemzelf betreft van Christus afgezonderd zou zijn, van zijn aandeel aan Christus (aan de verkiezing van Jezus Christus!) zou afzien. Zo veel is hem – de parallel met Ex. 32: 32[footnote]‘Maar nu, vergeef toch hun zonde – en zo niet, delg mij dan uit het boek dat Gij geschreven hebt.’ [/footnote] dringt zich op – zijn apostelambt waard: meer waard dan zijn persoonlijke verkiezing, redding en hoop! En zozeer is juist zijn apostolaat dienst in naam van en ten gunste van Israël. Zozeer staat en valt de kerk met haar broederschap en solidariteit ten opzichte van het ongelovige Israël.

Deze broederschap en solidariteit is nu echter (4-5a) objectief daarin gefundeerd dat die ‘stamgenoten naar het vlees’ met hun ongeloof even weinig zijn opgehouden Israëlieten te zijn, dus even weinig opgehouden zijn dragers van de aan Jacob gegeven naam ‘Godsvechter’ en, zoals de naam zegt, ook echte godsvechters te zijn, als Paulus met zijn geloof. Zoals hij in en met zijn geloof – juist als gelovige een echte Israëliet! – met hen verbonden en aan hen verplicht is, zo zijn en blijven zij van hun kant voor hem ondanks hun ongeloof de verkozen gemeente van God, die als zodanig niet minder in bezit gekregen heeft dan alles waar het geloof van de kerk zich op baseert, waarmee het zich voedt, en dat dit geloof mogelijk, noodzakelijk en werkelijk maakt. ‘Zie, aan de Heer, uw God, behoort de hemel en de hemel aller hemelen, en de aarde en alles wat daarop is. Maar alleen naar uw vaderen heeft de Heer zijn hart gekeerd om hen lief te hebben, en heeft u, hun nakomelingen, verkozen uit alle volken, zoals het heden is’ (Deut. 10: 14v). Dat de verkozen gemeente van God ook de andere gestalte van de kerk heeft en dat zij alleen in deze andere gestalte haar voleinding vindt, verandert er 224 helemaal niets aan dat het nog vandaag de dag zo is. De gemeente heeft daar, in het ongelovige Israël, haar fundament en begin. In haar kerkelijke gestalte is zij toch alleen maar het Israël dat zijn bestemming bereikt. Zij leeft dus geheel en al van dat wat Israël in en met zijn bestemming tot godsvechter ontvangen heeft. – Zij leeft van Israëls ‘zoonschap’ (Ex. 4: 22, Deut 8: 5, Hos. 11: 1, Jer. 31: 9), dat wil zeggen van de goddelijke toezegging die de stam van Abraham constitueert van de na hem komende en uit hem voortkomende ene mensenzoon. Deze toezegging is de zegen, waarvan in Israël elke vader in zijn zoon het onderpand aanschouwen mag. Dat deze toezegging gestand is gedaan en vervuld, weet de kerk, doordat zij getuige van Jezus Christus is. Maar Jezus Christus is nu de vervulling van deze, aan Israël gegeven toezegging. – De kerk leeft van Gods ‘heerlijkheid’ die vóór Israël uitgaat en in zijn midden woont, van het (dood en levend makende!) Zichzelf present stellen van God, dat zich in de beschikkingen van Israëls geschiedenis genadig voltrekt maar er ook genadig in verborgen blijft. Israël kan deze tegenwoordigheid van genade niet zien – en moet dat ook niet. De kerk leeft, doordat zij haar ziet (Joh. 1: 14, II Kor. 4: 6). Maar zij ziet geen andere, zij ziet in het vleesgeworden Woord nu juist de aan Israël geschonken, zich schenkende heerlijkheid, en dus zo de ene, enige heerlijkheid van God. – De kerk leeft van de ‘verbondssluitingen’ tussen God en Israël voltrokken. Tussen God en de mensen van dit volk vinden immers steeds nieuwe afspraken en wederzijdse verplichtingen plaats. Dat het er zoveel zijn laat zien hoezeer ze vanuit één kant worden onderhouden! En als al bij het afsluiten ervan Gods bedreigingen opvallend genoeg de overhand hebben, dan lijkt hun vervulling pas goed nagenoeg telkens weer en geheel en al uit het in werking treden van de passende strafgerichten te bestaan. De kerk onderkent de zuivere, volle troost van het ene genadeverbond waaraan zowel de mens als God zich houden. Maar wat anders onderkent zij daarmee dan de zin en de bestemming van de vele verbonden die met Israël zijn gesloten? – De kerk leeft van de ‘wetgeving’ die Israël ten deel gevallen is, die daar het leven van het volk regelt met het oog op de heiligheid die door de heiligheid van zijn Heer vereist is. De wet van de kerk is het geloof aan de Heer dat haar is overkomen, door wiens heiligheid de heiligheid van zijn volk is geschapen. Door in dit geloof gehoorzaam te zijn, doet zij toch niets anders dan precies datgene wat door de wetgeving van Israël eigenlijk vereist is. – De kerk leeft van de ‘aanbidding’ die Israël ingewilligd en geboden is. Deze inwilliging en dit bevel bestaan uit de priester- en offerregeling die aan het volk is gegeven en zijn gehele leven omspant. De kerk oefent de aanbidding in geest en waarheid uit voor het aangezicht van de eeuwige Hogepriester en zijn definitief voltrokken offer. Maar het is juist de Israël geoorloofde en geboden aanbidding die daarmee tot voleinding komt. – De kerk leeft van de aan Israël gegeven ‘beloften’, volgens welke het volk gezegend en talrijk moet zijn, het land moet bezitten, onder zijn koning rijk, machtig en gelukkig moet zijn, en ten slotte alle volken op de Sion verenigd moet zien. De beloften waar de kerk naar grijpt, doordat zij haar hoop mag zetten op haar opgestane Heer, behelzen de gave van de Heilige Geest, de vergeving van de zonden, de overwinning van de machten en heerschappijen van de Satan, de opwekking uit de doden, een eeuwig leven in Gods rijk. Maar juist daarmee grijpt zij toch alleen maar naar de aan Israël gegeven beloften, en begrijpt ze zo. – De kerk leeft van de ‘vaderen’ van Israël, van de geestesgemeenschap met Abraham, Isaäc en Jacob, Mozes, David en Elia. Zij zijn de grote getuigen van het goddelijke roepen, hoeden en leiden van dit volk. De kerk weet: juist als zodanig en dus in hun door de overlevering getoonde concreet historische gestalte zijn zij de getuigen van Jezus, omwille van wie dit volk door God beroepen, behoed en geleid wordt. Juist de vaderen van Israël zijn dus streng gesproken alleen de zo te noemen ‘kerkvaders’. – En nu eindelijk datgene wat vóór, boven en in dit 225 alles moet worden gezegd als het omvattende en beslissende: de kerk leeft van het bestaan van de ‘Christus naar het vlees’ – van Jezus Christus, omdat en voor zover Hij als mens de zoon van Abraham en David is en Jezus van Nazareth heet. Niet hoewel dat zo is! Niet vanuit de terloopse veronderstelling dat Hij niet alléén de eeuwige Zoon van God is maar dat ook! Nee, juist omdat en voor zover Hij dat is: een Israëliet uit Israël! Paulus zegt hier niet ὧν, maar ἐξ ὧν [niet ‘van hen’, maar ‘uit hen’, Rom. 9: 5]. Want hoezeer men ook van de Messias kan zeggen dat Hij aan Israël is ‘gegeven’, de voorstelling van zaken dat Hij Israël zou ‘toebehoren’, moet juist hier toch volledig uitgesloten zijn. Hij ‘behoort’ ook niet de kerk ‘toe’, maar de gehele verkozen gemeente behoort Hem toe. Daarom zegt Paulus dat Hij ‘uit’ Israël is gekomen en als een brand uit het vuur is genomen. [viii] Maar juist uit Israël is deze gekomen en genomen, doordat het Woord van God het behaagt de knechtsgestalte van het vlees aan te nemen. Niet uit Griekenland, niet uit Rome, niet uit Germanië, maar uit Israël! Ook dat is nu eenmaal zo – onafhankelijk van Israëls ongeloof en van het geloof van de kerk: onverwoestbaar door Israëls ongeloof en zo ook in het geloof van de kerk niet te verloochenen, maar hardop te belijden: ‘Het heil komt uit de Joden’ (Joh. 4: 22). [ix] Doordat de kerk zich in haar belijden richt op de door de Joden verworpen Jezus, brengt zij alleszins het verzet van Israël ten aanzien van zijn eigen verkiezing aan het licht, bestrijdt zij (in overeenstemming met de oudtestamentische profeten!) de hoogmoedige leugen, de nationalistisch-wettische messiasdroom van de synagoge, omwille waarvan alle heidense arrogantie de Joden van oudsher vol haat benijdt, en die zij altijd al op een dilettante manier heeft geprobeerd mee te dromen. Wat de kerk echter niet bestrijdt, maar ondanks alle heidense arrogantie handhaaft en onderwijst, is de eeuwige verkiezing van Israël. Zij belijdt, doordat zij Jezus Christus belijdt, de vervulling van al datgene wat Israël als belofte is toegezegd, de substantie van alle hoop van de vaderen, van alle vermaningen en bedreigingen van Mozes en de profeten, van alle offers in de tabernakel en de tempel, van elke letter in de heilige boeken van Israël. Door Israël te roepen tot het geloof in Jezus Christus zal en kan zij ook niets anders van hem [x] willen dan dit: dat het door te gaan gehoorzamen aan zijn eigen verkiezing boete doet, dat het tot een dankbare gemeente wordt van de uit hem zelf gekomen en genomen mensenzoon. Ook de tot de Joden gerichte toespraken uit de Handelingen der Apostelen van de (heidenchristen?) Lucas (Hand. 2: 14v, 3: 12v, 4: 8v, 7: 1v, 18: 5, 22: 1v, 28: 23) hebben het doorgaans zo voorgesteld.

Daaronder en daaronder alleen lijdt Paulus wanneer hij aan Israël denkt, dat en dat alleen heeft de kerk Israël (onder de boog van het verbond die zich om beide heenspant!) voor te houden: het is te weinig Israël! Het wil zijn eigen verkiezing niet bevestigen door samen met de kerk, en dus onder prijsgave van zijn zelfhandhaving tegenover haar, uit te barsten in de belijdenis van Jezus als zijn eigen en beloofde Messias. De tegenstelling die zich hier (binnen de gemeente van God!) voordoet, is wel bitter en ernstig. ‘Alle zonde en laster (de zonde van de heidenen!) zal de mens worden vergeven; wie echter tegen de Heilige Geest ingaat (dat doet het ongeloof van Israël ten aanzien van Hem die door zijn opstanding als Messias wordt bekrachtigd!), hem zal niet worden vergeven, noch in de huidige, noch in de toekomstige wereld’ (Mat. 12: 31v). Daarom brandt hier niet alleen de ijver van Paulus, maar die van het gehele Nieuwe Testament. Maar het is met handen te tasten, dat deze ijver niet uit- maar insluit, niet verstoot maar zoekt, niet haat maar liefheeft. Het is de ijver voor het juist in Israël gefundeerde huis van de Heer. Een antisemitisme dat de verkiezing van Israël van buitenaf miskent en bestrijdt, kan dus met deze ijver (waaraan dit miskennen en bestrijden immers wezensvreemd is!) niets te maken hebben; het zou alleen de heidense herhaling van dezelfde onvergeeflijke zonde kunnen zijn, waaraan Israël 226 zelf tot iedere prijs moet worden ontrukt. Aan een dergelijk antisemitisme kan zelfs niet het minste of geringste worden toegegeven! De kerk leidt geen leven op zichzelf, naast en tegen Israël. Zij leeft uit Israël en het is Israël dat in haar leeft. Zij is de verwerkelijking van het leven van de gemeente van God, dat nu juist Israëls bestemming is.

Daarom vs 5b: ‘Geloofd zij de God die boven allen is. Amen.’ (De conjectuur ὧν ὁ ἐπὶ πάντων θεὸς [‘van wie de God is boven allen’ (Rom. 9: 5)], waar ik vroeger voor gepleit heb, is onbevredigend. Het betrekken van het ὁ ὢν…[‘Hij die is…’] op ὁ Χριστὸς [‘de Christus’, Rom 9: 5] is niet onmogelijk, maar nu ook weer niet waarschijnlijk; maar het is vanzelfsprekend dat Paulus hier net als bij zijn gebruik van zulke formules elders zakelijk ook van Jezus Christus spreekt.) [xi] De lofprijzing van de kerk geldt de God die de God van allen (Rom. 3: 29) en juist daarom ook boven allen is, de God van de Israël en de kerk, de kerk en Israël omvattende gemeente. Hoe zou het anders kunnen zijn, gegeven het feit dat zij zelf de vergadering van alle gelovigen is: ‘Van de Joden eerst en van de Hellenen’ (Rom. 1: 16, 2: 9v, 9: 24)? Het feit dat niet alle Joden gelovend met deze lofprijzing instemmen, mag de kerk niet daarmee beantwoorden dat zij de uitverkiezing van het vok Israël als zodanig ter discussie stelt en zich neerlegt bij het weg- en achterblijven van die niet-gelovigen. Juist de God die boven allen is, is ook – en zelfs allereerst! – de God van die in het ongeloof weg- en achterblijvers. Alleen hierdoor kan het raadsel van de synagoge door de kerk worden beantwoord, dat zij als levend Israël in en met haar geloof aan het ongeloof van de synagoge het geloof van het verkozen Israël zelf voorhoudt, dat zij van haar kant in de naam van en ten gunste van dit dode Israël Hem belijdt, die (als heerser over doden en levenden, Rom. 14: 9) met het oog op deze doodsgestalte niet ophoudt het levende hoofd van de gehele gemeente van God en dus de hoop ook van deze doden te zijn.